bb-cbt jongeren

1. Je brein, en hoe je het kunt gebruiken

Een cursus in vergroting van wilskracht

Je staat er vaak niet zo bij stil. Maar je hebt een brein!!! Wat zeg ik, je hebt er zelfs twee. Je brein bestaat namelijk uit twee delen: je oude brein en je nieuwe brein. In dit verhaaltje staan enkele dingen die je moet weten over je brein. Lees het op je gemak door, en zet een vette streep onder de dingen die je niet begrijpt. We komen daar tijdens ons volgende gesprek op terug.

Wat je brein allemaal doet

Jouw brein is 24 uur per dag actief. Ook als je slaapt, dan is je brein wakker. Het zorgt ervoor dat je longen rustig blijven ademen, en als je geluk hebt zorgt het voor leuke dromen. Je weet waarschijnlijk wel dat je brein kan denken. Maar het kan nog veel meer. Je brein zorgt ervoor dat je kunt zien en ruiken. Dat je kunt voelen, en dat je kunt bewegen. Maar je brein zorgt er ook voor, dat je lichaam gezond blijft: je brein is een soort regelaar voor alles wat er in je lijf gebeurt.

Als we je brein vergelijken met een huis, dan heeft dat huis verschillende kamers: er is een kamer waar je film kunt kijken, een kamer waar je kunt fitnessen, eentje waar je bezoek ontvangt, en een waar je naar muziek luistert. In de filmkamer komen alle plaatjes van de buitenwereld binnen. De muziekkamer is dat deel van je brein, waarmee je kunt horen. De fitnessruimte speelt een belangrijke rol bij de bewegingen die je maakt. En in de ontvangstkamer is ingericht om contact te hebben met andere mensen. Maar er is ook een vergaderkamer in je brein. Die zit helemaal vooraan. In die vergaderkamer worden plannetjes gemaakt. Die vergaderkamer is eigenlijk een brein in het brein. Alle informatie uit de andere kamers kan hier naartoe gestreamd worden. En vanuit je studeerkamer kunnen opdrachten naar de andere kamers gegeven worden. In die vergaderkamer zit de directeur, en die directeur… dat ben jij. Van die plek heb je uitzicht over alle andere kamers in je brein, en kun je commando’s geven. Dat is boffen!!!

De vergaderkamer noemen we ook het nieuwe brein. Het is pas 40.000 jaar oud! Kun je nagaan, hoe oud het oude brein is: Wel 40 miljoen jaar. Je nieuwe brein is veel kleiner dan het oude brein. Laten we eens kijken hoe het zit met die twee breinen.

Je oude en je nieuwe brein

In het oude brein zitten mensen die voor jou werk doen. Het is jouw personeel. Ze doen het werk, dat je vooraf met hen hebt afgesproken. Je hoeft je er dan ook niet steeds mee te bemoeien. Je personeel doet zijn werk meestal goed, maar…. Het wil zich ook graag lekker voelen: het wil filmkijken, of naar muziek luisteren, of spelen met anderen. Het personeel in je oude brein wordt onrustig, wanneer het honger heeft of wanneer het in een drukke omgeving is. Het is namelijk erg impulsief, en reageert op prikkels. Prikkels van binnenuit, en van buitenaf. Je personeel in het oude brein doet zijn werk het liefst op dezelfde manier. Het houdt van vaste routines, en wil daar niet graag van afwijken. Het kan ook niet goed nadenken, maar doet zijn werk op gevoel.

In je nieuwe brein zit jij. Omdat je de directeur bent, ben je ook de baas. Een directeur hoeft niet zo hard te werken als zijn personeel. Dat is een meevaller, toch? Maar een goede directeur moet wel heel slim zijn. En hij moet natuurlijk ook de baas spelen. Maar dat is jou wel toevertrouwd. Een goede directeur is ook nieuwsgierig, en wil graag nieuwe mogelijkheden onderzoeken. Daarom blijft hij niet hangen in oude gewoontes, maar gaat hij op zoek naar nieuwe uitdagingen. Hij wil zich blijven ontwikkelen, en moet daarom vaak tijd nemen om goed na te denken.

Twee breinen in een hoofd

Hopelijk begrijp je nu iets beter, hoe je brein werkt. Het komt erop neer, dat je in je hoofd twee breinen hebt: het oude en het nieuwe. Het oude brein is de hele dag actief, en doet de dingen die noodzakelijk zijn. Het houdt van vaste gewoontes, en als die zich hebben genesteld, wil het daar niet graag van afwijken. Je nieuwe brein is niet steeds aanwezig (dat zijn directeuren ook niet 😊), maar het heeft wel de leiding. Het is nieuwsgierig, en wil dingen onderzoeken. Het stelt je in staat om nieuwe dingen te leren, en zoekt dan ook prikkels op. Als je iets op je computer bekijkt, dan is je nieuwe brein actief. Of als je nadenkt over wat je in je vakantie gaat doen, gebruik je je nieuwe brein. Je nieuwe brein maakt gebruik van gedachten. Het goede nieuws is, dat je je nieuwe brein zelf kunt sturen! Je kunt je gedachten niet zelf kiezen, maar kunt ze wel richten. Je maakt dan onder andere gebruik van aandacht. Zo kun je zelf bepalen, wat er in je nieuwe brein omgaat.

Ruzie in je brein

Je oude brein en nieuwe brein werken meestal goed samen. Je oude brein doet dingen, waar je nieuwe brein niet over hoeft na te denken. Daardoor heb je plek om in je nieuwe brein te zitten, en je aandacht te richten op andere dingen. Als je over straat loopt, hoef je niet na te denken hoe je moet lopen. Je kunt met je nieuwe brein lekker naar muziek luisteren, of kijken of je bekenden ziet. Maar soms hebben je oude brein en je nieuwe brein ruzie. Ze werken niet samen, maar werken elkaar tegen. Bijvoorbeeld wanneer je oude brein je verleidt om te snoepen, terwijl je nieuwe brein juist van plan is om gezond te leven. Je oude brein kan dan in opstand komen, en je veel onrust geven. Je kunt dan het gevoel hebben, dat je er geen weerstand tegen kunt bieden. Zeker als je oude brein lang blijft aanhouden, en je probeert over te halen. Maar er is goed nieuws: gelukkig is je nieuwe brein slimmer dan je oude. En van die slimmigheid kun je gebruik maken. Daarmee komen we bij regel één van de moderne breinkunde: wie niet sterk is moet slim zijn. Je moet soms slimmer zijn dan je oude brein… door je nieuwe brein te gebruiken!

Slimmer zijn dan je oude brein

Slimmer zijn dan je oude brein begint met aandacht te hebben voor momenten waarop je oude brein opstandig is. Zoals een directeur aandacht moet hebben voor zijn personeel (doen ze hun werk, of zitten ze alleen maar plezier te maken?), zo moet je van tijd tot tijd aandacht hebben voor wat er in het oude brein gebeurt. Je brein geeft je de hele dag informatie over wat er vanbinnen (in je lijf) en vanbuiten (in de wereld) gebeurt. Je oude brein maakt daarbij vooral gebruik van gevoelens. Het geeft aan of iets plezierig of onplezierig is, of het ergens zin in heeft of niet, of het iets spannend vindt of niet. Zoals ik al schreef, laat het zich ook vaak leiden door gevoelens. Het wil het liefst de dingen doen, waar het zich goed bij voelt. En dingen die spannend voelen uit de weg gaan. Je nieuwe brein maakt gebruik van woorden, en stelt je in staat om allerlei slimme vragen te stellen. Vragen als: wat wil ik? hoe kan ik dit bereiken? welke moeilijkheden kan ik dan verwachten? We noemen dit redeneren. Omdat je nieuwe brein kan redeneren, kan het ook plannen maken. En jij? Nou, jij moet dan de baas spelen: de dingen doen die je wilt, in plaats van de dingen die aantrekkelijk voelen. We noemen dit vermogen ook: wilskracht.

Wilskracht is niet iets wat je hebt, of niet hebt. Je kunt jouw wilskracht versterken. Net zoals je jouw lichamelijke conditie kunt vergroten door naar de sportschool te gaan (en daar te sporten!), kun je jouw wilskracht vergroten door je nieuwe brein te trainen. Zo’n training in wilskracht bestaat onder meer uit de volgende onderdelen:

  • doelen stellen

Bij dit onderdeel ga je vaststellen wat je wilt. Je leert, hoe je doelen stelt, en hoe je daarmee sturing geeft aan je dagelijkse leven.

  • luisteren naar je brein

In dit onderdeel heb je aandacht voor wat er in je brein omgaat. Je staat stil bij wat je oude brein voelt, en welke gevolgen dit voor je heeft.

  • slim denken

Je leert de kracht van je nieuwe brein te vergroten door vast te stellen, wat slimme gedachten zijn. Slimme gedachten helpen je om succes te hebben bij de dingen die je wilt (je doelen).

  • leren plannen

Planning helpt je om je tijd goed te besteden. In dit onderdeel leer je hoe je een goede planning maakt.

  • zelfbeheersing

Doen wat je van plan was om te doen, daar gaat het om bij dit onderdeel. Je leert hoe je ‘in control’ bent.

  • vooruitgang meten

Ten slotte sta je stil bij de vraag: hoe succesvol ben ik nu, en hoe kan ik nog succesvoller zijn?

2. Wat is sociale onzekerheid?

Sociale onzekerheid is een normaal iets. Iedereen heeft momenten dat hij of zij zich onzeker voelt in de omgang met andere mensen. Maar hoe komt die sociale onzekerheid precies tot stand. De verklaring ervan moeten we zoeken in je brein.

Je brein is de hele dag actief. Het maakt voortdurend inschattingen over de wereld waarin je leeft. De situaties waarin je bent, en mensen die je tegenkomt. Je brein is er razend druk mee.

Sociale onzekerheid ontstaat, doordat je brein aangeeft dat er iets niet pluis is in jouw omgang met andere mensen. Dat kan zitten in wat ze zeggen, maar ook in hun blik of wat ze doen. Je brein geeft dan een alarmreactie af. Vervolgens gaan er allemaal gedachten door je hoofd. Die gedachten hebben meestal een ding gemeenschap: afkeuring! Als je lijdt aan sociale onzekerheid, heb je heel snel het idee, dat anderen je afkeuren, en dat je voor gek staat. Dat ze je raar vinden en liever niets met je te maken willen hebben.

Soms zal dat alarm kloppen. In dat geval keuren mensen je inderdaad af. Bijvoorbeeld omdat je iets doet wat zij stom vinden (en misschien ook wel een beetje stom is…). Als je je steeds afsluit van anderen, en altijd maar in je uppie bent, kunnen mensen dat vreemd vinden. Waarschijnlijk vind je dat zelf ook wel een beetje. Maar… meestal is er sprake van een vals alarm. Je hebt het gevoel dat je wordt afgekeurd, terwijl dat in werkelijkheid niet zo is. Je angst voor afkeuring kan zo groot worden, dat je overal afkeuring ziet, terwijl die er helemaal niet is. Je angst voor afkeuring wordt dan een obsessie: ze heeft zich genesteld in je hoofd, en je denkt in veel situaties dat mensen je afkeuren, terwijl die situatie nog moet optreden. Dat is lastig, vooral lastig voor jezelf.

Als je niet wordt afgekeurd, dan moet toch ook de angst ervoor vanzelf overgaan? De verklaring daarvoor moeten we zoeken in enkele denkfouten die mensen met sociale onzekerheid vaak maken. Ze slaan daardoor bepaalde gebeurtenissen verkeerd op in hun brein. We zullen de belangrijkste denkfouten kort noemen.

denkfout 1: gedachten invullen

Je gaat ervan uit, dat je weet wat andere mensen denken terwijl je geen helderziende bent. En natuurlijk ga je uit van het negatieve scenario: ze vinden me stom. Je moet blozen als je in de klas iets zegt, en denkt ‘iedereen vindt me raar’. Hoe weet je, dat iedereen je stom vindt? Kan het, dat ze je ook moedig vinden? Of dat ze denken dat je nerveus bent? Je weet het niet, omdat het niet op hun schedel staat geschreven.

denkfout 2: op jezelf betrekken

Je gaat er vaak vanuit, dat dingen op jou betrekking hebben. Dat jíj de reden bent, waarom mensen doen, zoals ze doen. Als iemand begint te lachen, denk je: ik heb iets stoms gedaan. Ze lachen me uit. Nou, doe een beetje normaal; zo belangrijk ben je ook weer niet. Mensen kunnen ook andere redenen hebben om vrolijk te zijn. Of als iemand niet teruggroet, kun je denken: ik heb iets verkeerds gedaan. Zijn er ook andere redenen waarom mensen niet groeten? Omdat ze in gedachten zijn, of omdat ze je niet gehoord hebben, of… omdat ze bang zijn dat jij hen stom vindt?

denkfout 3: catastroferen

Je maakt van een mug een olifant. Als iemand voor de grap zegt, dat je gek bent, kun je denken dat hij of zij dit ook echt meent, en… dat dit vreselijk is. Je ziet niet meer het verschil tussen een grap en iets wat serieus is. Bovendien, stel dat iemand je gek vindt, hoe erg is dat dan helemaal? Is dat dan jammer…, of is dat een ramp? Als iemand je gek vindt, is dat natuurlijk geen ramp. Het is misschien een ramp als de hele wereld je gek vindt, en je verbannen wordt naar een onbewoond eiland. Maar dat is eigenlijk ook geen ramp. Beter alleen op een eiland, dan samenleven met mensen die jou gek vinden.

Er is nog een andere reden waarom sociale onzekerheid blijft bestaan: doordat je allerlei situaties uit de weg gaat. Je gaat niet naar feestjes (omdat ik daar niemand ken, en iedereen me stom zal vinden), je zegt niks in de klas (omdat dit raar is, en het is ook raar als niks zeg…), en je draagt geen afwijkende kleren (omdat ze je gaan uitlachen). Als je steeds situaties vermijdt, houd je het idee in stand, dat mensen je zullen afwijzen. Je krijgt geen bewijzen van het tegendeel. Dat schiet dus niet echt op.

Er is ook goed nieuws!

Je kunt je sociale onzekerheid verminderen. Hoe? Door vast te stellen wanneer deze optreedt, je ervan bewust te zijn, dat die vooral in je hoofd zit (het valse alarm en de denkfouten), en door te onderzoeken wat er nou echt gebeurt. Mocht je ontdekken dat iemand je inderdaad stom vindt, dan kun je je afvragen: hoe erg is dit? Is het jammer, of is dit het eind van de wereld?

Aanpak van sociale onzekerheid

  1. Let op de momenten waarop deze opspeelt. Waar ben je, en wat gebeurt er?
  2. Schrik niet! Je sociale onzekerheid is een vals alarm. Raak er niet van in paniek. Het is alleen je brein dat op hol slaat.
  3. Ga na wat er bij je gebeurt: wat voel je, wat denk en wat doe? Als je brein op hol slaat, gaan er allemaal vreemde gedachten door je hoofd. Maak er een spelletje van, om ze te herkennen en om de denkfouten vast te stellen.
  4. Bepaal je doel: hoe wil je denken, voelen en doen? Stel nu vast wat goeie gedachten zijn, en hoe je je wilt voelen en wat je wilt doen.
  5. En dan nu… gewoon doen. Doe wat je van plan bent om te doen. En, laat anderen maar denken.

3. Wees niet bang voor spreekangst, ze bijt je niet

Angst om in groepen te spreken komt veel voor. Ze hoeft niet altijd tot grote problemen te leiden. Vaak zien mensen wel mogelijkheden om situaties waarin de angst kan optreden uit de weg te gaan. Als vermijding niet kan, houden ze het zo kort mogelijk, in de hoop dat ze er weer snel vanaf zijn. Door vermijding en door maar korte tijd het woord te voeren, loopt de spanning niet al te hoog op. Maar daardoor blijft de spreekangst wel bestaan.

Spreekangst en je brein

Misschien heb je het idee, dat je brein wordt veroorzaakt door het spreken of doordat je in de belangstelling komt te staan. In zekere zin is dat misschien wel zo, maar een nog grotere rol daarbij speelt je brein. Je brein is het orgaan, dat jouw emotionele reacties opstart, en dat is ook het geval bij spreekangst. Een belangrijke rol daarbij speelt de hersenkern die we Amygdala noemen. Deze is een soort coördinator van je stresssysteem, en zet de stressreactie in gang. Je Amygdala heeft als belangrijkste taak om vast te stellen, of situaties pluis of niet pluis zijn. Om dat te kunnen, beschikt ze over een eigen geheugen waarmee ze enge situaties snel herkent. Als je last hebt van spreekangst, dan heeft je Amygdala geleerd, om spreeksituaties als eng te zien. Ze slaat onmiddellijk alarm. Je hebt dus eigenlijk een overactieve Amygdala…

De gevolgen van vermijding

Het is vaak verleidelijk om spreeksituaties te vermijden. Dat voorkomt je veel onrust. Maar, vermijding van spreeksituaties zorgt er ook voor dat spreeksituaties eng blijven. Je kunt er allerlei enge gedachten over krijgen, zoals dat je voor aap kunt staan, of dat iedereen je stom zal vinden. Zo’n rare gedachten kunnen er weer voor zorgen, dat je je nog banger voelt, wanneer je in een groep het woord voert. Daarmee ontstaat een tweede spanningsbron in je hoofd: enge gedachten. Mensen met spreekangst zijn erg bevreesd voor afwijzing door anderen. Omdat ze er zo bang voor zijn, zien ze ook sneller afwijzing dan andere mensen. Als iemand terwijl je spreekt op de telefoon kijkt, kun je meteen denken: IK BEN SAAI en IK STA VOOR AAP.

Spreekangst op een rijtje

Laten we de gang van zaken bij spreekangst eens netjes in kaart brengen. Ze start gewoonlijk bij het vooruitzicht dat je in een groep het woord gaat voeren. Onmiddellijk begint die Amygdala onrust te stoken: GEVAAR! Vervolgens gaan er allerlei enge gedachten door je hoofd.

Als je -omdat je inmiddels erg gespannen bent- besluit om je mond te houden, neemt de angst waarschijnlijk af. Maar de eerstvolgende keer dat je in een groep het woord wilt voeren, is ze in alle hevigheid terug.

Gebruik je slimme brein

Het vermijden van spreeksituaties levert je niet veel op. Sterker nog, het leidt ertoe dat je spreekangst alleen maar toeneemt. Wat kun je dan beter doen? Het klinkt vreemd, maar je moet gewoon je hersenen gebruiken. Je hersenen bestaan uit twee breinen: je emotionele brein en je rationele brein. De Amygdala is de coördinator van je emotionele brein, en ze kan ervoor zorgen, dat je in no-time in de stress schiet. Dat is zeker het geval, wanneer je een onrustige Amygdala hebt. Jouw rationele brein heeft ook een coördinator: JIJ. Hoe je jouw rationele brein kunt aansturen, lees je hieronder:

  1. Roep een ontspannen gevoel op

De onrust in je lijf is het gevolg van een onrustige Amygdala. Maar je kunt je Amygdala kalmeren door je aandacht te richten op je ademhaling, en enkele malen heel rustig door te ademen. Adem zo langzaam mogelijk uit. Een trage ademhaling leidt ertoe, dat de spanning in je lijf afneemt.

  1. Concentreer je op positieve gedachten

Verwijder de enge gedachten in je hoofd, door je aandacht te richten op positieve gedachten. Hier staan enkele positieve gedachten, die je kunt gebruiken:

  • Ik kan de situatie aan
  • Ik heb mezelf in de hand’
  • Het hoeft niet perfect te gaan
  • Ik ben oké
  1. Gebruik je fantasie in je voordeel

Stel je nu voor, dat je het woord voert. Maak daarvan een heldere fantasie, en laat die fantasie enkele malen door je hoofd gaan. Met behulp van deze beelden verzwak je de onrustige Amygdala en versterk je jezelf!

  1. En…. vooral doen!

Zie de momenten waarop je het woord kunt voeren als kansen! Kansen om iets te leren: het enige waar je bang voor bent, is de angst zelf.

4. Wat is een dwangstoornis?

Een dwangstoornis is het gevolg van een foutje in je brein. Iedereen maakt wel eens fouten, en dat geldt ook voor je brein. Vooral je ‘oude brein’ kan soms een verkeerd signaal afgeven. Dit zorgt ervoor, dat je je plotseling onrustig voelt, terwijl daar geen echte reden voor is. Het is een ‘vals alarm’! Net zoals het alarm in de auto van je ouders kan afgaan, terwijl er geen dief in de buurt is. Of in een winkel, wanneer je de winkel uitgaat. Het alarm gaat af, maar er is niets mis! Ook je brein kan soms op hol slaan, terwijl er niets aan de hand is. Een foutje dus, vervelend… Je brein kan je ook aanzetten om iets te doen, wat je eigenlijk helemaal niet wil. Je hebt het gevoel dat je iets móet doen, terwijl je verstand weet dat dit onzin is. Bijvoorbeeld het gevoel dat je iets moet aanraken, wat je niet wil. Of dat je iets moet denken, terwijl je daar helemaal geen trek in hebt. We noemen dit dan een dwangstoornis.

Bij een dwangstoornis is er sprake van een vals alarm en van een dwanghandeling. Je voelt je onrustig om iets, waar je je niet druk om hoeft te maken. En je hebt de neiging om iets te doen, wat je eigenlijk helemaal niet wil (maar waar je niet gemakkelijk weerstand tegen kunt bieden).

Er zijn verschillende soorten dwangstoornis: dwangmatig je handen moeten wassen, steeds maar dingen moeten controleren, dingen steeds recht moeten zetten… Hieronder staat de beschrijving van de dwang om dingen steeds op hun plaats te moeten zetten:

Als iemand spulletjes op je kamer verplaatst, dan leidt dit ertoe dat je onrust voelt. Die onrust is een voorbeeld van ‘vals alarm’; je oude brein zegt dat er iets mis is, terwijl dit niet zo is. Onmiddellijk heb je dan de neiging om alles weer op zijn plaats te zetten. Als je dit doet, dan voel je je weer rustig.

Als je last hebt van een dwangstoornis, dan kun je die leren overwinnen. Hoe je dat moet doen? Nou, je moet gewoon slimmer zijn dan je oude brein. Gelukkig heb je ook een ‘slim brein’, en dat kun je daarvoor gebruiken. Het overwinnen van je dwangstoornis gaat als volgt:

  1. stel jezelf een doel

Je stelt jezelf als doel om niet toe te geven aan je dwangstoornis. Dit betekent dat je besluit om de dwanghandeling niet uit te voeren.

  1. aandacht voor je oude brein

Let op, je oude brein zal protesteren. Je merkt dit aan de onrust in je hoofd en in je buik. Dat voelt vervelend, maar neemt wel weer af.

  1. gebruik je slimme brein

je kunt je slimme brein gebruiken om sneller rustig te worden: herhaal enkele malen het zinnetje ‘het maakt niet echt uit. ik hoef niet te dwangen!’, en probeer je adem rustig te maken.

  1. maak een plan

Maak een plan voor wat je gaat doen in plaats van toe te geven aan je dwang. Dat kunnen verschillende dingen zijn. Als je wilt voorkomen dat je iets (dwangmatig) aanraakt, steek je je handen gewoon in je zak. Of als je de aandrang voelt om iets te verplaatsen in je kamer, dan ga je in een boekje lezen.

  1. voer het plan uit

doe wat je hebt gepland, niet wat je oude brein wil.

  1. geniet van je succes

kijk naar wat goed ging! En maak er een aantekening van. Spreek met je ouders af, welke beloning je krijgt als je vooruitgang boekt.

Een dwangstoornis is soms lastig. Maar je kunt haar overwinnen door je slimme brein te gebruiken. Je moet gewoon slimmer zijn dan je oude brein!

 

5. Wat is een impulsstoornis?

Een impulsstoornis (of ‘impulsiviteit’) is het resultaat van een overactief oud brein. Je oude brein is erg gevoelig voor verleidingen. Als het iets ziet wat aantrekkelijk is, treden veranderingen op in dat brein, die je aanzetten om toe te geven. Je krijgt dan het gevoel, dat je moet hebben, waar je zin in hebt. Als je daaraan hebt toegegeven, kun je weer met nieuwe verleidingen geconfronteerd worden, en krijg je het gevoel dat je ook daaraan moet toegeven. Dit kan zo een hele tijd blijven doorgaan. Een voorbeeld van een impulsstoornis is een gameverslaving. Als je verslaafd bent aan gamen, kom je gemakkelijk in de verleiding om te gamen (bijvoorbeeld als je voor je studie iets op internet opzoekt). Wanneer je toegeeft en begint met gamen, wordt het lastig om ermee te stoppen. Tijdens het gamen wordt je namelijk verleid om ‘nog even’ door te gaan…

Als je steeds toegeeft aan verleidingen, ontstaat de gewoonte om dit in de toekomst steeds sneller te doen. Het gevolg is, dat je wilskracht afneemt en dat je de controle over je handelen verliest. Dat is het slechte nieuws, maar gelukkig is er ook goed nieuws…

Je hebt naast het oude brein ook een slim brein. Jouw slimme brein stelt je in staat om bepaalde reacties af te remmen (het fungeert als rem), en het stelt je in staat om nieuw gedrag op te starten (het fungeert als gaspedaal). Om je impulsstoornis te overwinnen zul je zowel je rem als je gaspedaal moeten bedienen:

  1. de bediening van je rem

Je gebruikt je rem om een reactie tot stilstand te brengen. Op het moment dat je merkt dat je in verleiding wordt gebracht, roep je innerlijk STOP!, en stap je even uit de situatie. Soms door letterlijk even weg te gaan. Vervolgens schakel je naar je slimme brein, en ga je bewust nadenken. Stel jezelf daarbij de volgende vragen:

  • Is dit iets wat ik wil, of iets waar ik alleen maar zin in heb?
  • Wat zijn de gevolgen als ik hieraan toegeef?
  • Als ik toegeef voel ik me daar dan tevreden over?
  1. de bediening van de gaspedaal

De gaspedaal gebruik je om gewenst gedrag te vertonen. Je kunt jezelf daartoe aanzetten, door antwoord te geven op de volgende vragen:

  • Hoe kan ik weerstand bieden tegen deze verleiding?
  • Wat ga ik daarom nu doen?
  • Welke positieve gevolgen heeft dit voor mij?

Vervolgens doe je datgene wat je gepland hebt om te doen, en beloon je jezelf na afloop. Die beloning kan eruit bestaan, dat je jezelf een compliment geeft (goed gedaan jochie), of dat je jezelf een kleine beloning geeft (een euro), en spaart voor een cadeautje.

Succes!

Henk Hermans, de breinpsycholoog