BB-CBT

Cognitieve gedragstherapie heeft haar roots in de behavioristische psychologie, die bij haar verklaring van menselijk gedrag zo weinig mogelijk gebruik wilde maken van allerlei mentale mechanismen. Er werd uitgegaan van het zogenaamde black box idee, waarbij de menselijke psyche die vooral door de psychoanalyse zo fraai een kaart was gebracht als een zinvolle entiteit werd afgeschaft. Voor zover men niet kon ontkomen aan verklarende theorieen, waren deze gebaseerd op waarneembare reacties of op fysiologische processen en zag men de psyche als een neurofysiologische reflex. De eerste lichting van (cognitieve) gedragstherapeuten waren daarom sterk geinteresseerd in de dierexperimenten van onder andere Iwan Pawlow (1849-1936), de Russische neurofysioloog  die het principe van de klassieke conditionering ontdekte. Ofschoon Pawlow bij zijn laboratoriumonderzoeken vooral met honden experimenteerde, heeft dit principe in de behavioristische psychologie een belangrijke plaats ingenomen bij de verklaring van menselijk gedrag. Gedrag werd daarbij teruggebracht tot een reflexmatige reactie, die door het brein geassocieerd (door middel van conditionering) kan worden aan vrij willekeurige situaties of gebeurtenissen. Klassieke conditionering werd door cognitief gedragstherapeuten gebruikt als verklaringsmechanisme voor met name klachten die sterk gerelateer zijn aan specifieke prikkels (fobieen, verslavingen, impulsstoornissen), en het principe werd in therapeutische zin gebruikt bij technieken als aversietherapie, response preventie en systematische desensitisatie. Misschien dat de eerste cognitieve gedragstherapeuten daarmee de voorlopers waren van de nieuwe telg in de cgt-familie: brainbased cognitieve behaviortherapy (BB-CBT).  Cognitieve gedragstherapie heeft zich later nog laten inspireren door het Skinneriaanse principe van operante conditionering, en in de jaren zeventig van de vorige eeuw door de cognitief georienteerde psychotherapeuten (Meichenbaum, Ellis, Beck). Psychische klachten konden daardoor redelijk verklaard worden als het resultaat van een drietal processen: klassieke conditionering, operante conditionering en ten slotte cognitieve processen (disfunctionele gedachten). Aanvankelijk werd er daarbij vanuit gegaan dat cognitieve processen vooral een medierende rol zouden hebben, maar naarmate er meer wetenschappelijk onderzoek werd gedaan door cognitieve psychologen, werden cognitieve factoren steeds vaker centraal gesteld bij de verklaring van psychische stoornissen. Ofschoon inmiddels deze ‘cognitieve revolutie’binnen cgt weer op zijn retour is, bedienen de meeste cognitieve gedragstherapeuten zich bij hun dagelijkse werk van technieken die vooral aandacht geven aan verandering van cognities. Deze cognities worden aangeduid met verschillende bewoordingen (automatische gedachten, overtuigingen, schema’s ), maar de vooronderstelling is dezelfde: de psyche is vooral een kwestie van denken en de koninklijke weg naar beheersing van die psyche is gedachtecontrole en gedachteverandering. Evenals de freudianen indertijd de oorzaak van psychische ellende zochten in het onderbewustzijn en de droomduiding voor hen de belangrijkste techniek was om dit bloot te leggen, gaan veel cognitieve gedragstherapeuten op zoek naar cognitieve patronen (overtuigingen, schema’s) die de verklaring zijn voor emotionele stoornissen en gedragsproblemen, en maken ze in hun werk vooral gebruik van gedachtenschema’s.  

Het idee dat ons gevoelsleven en ons gedrag cognitief gestuurd wordt is aantrekkelijk maar blijkt in de praktijk onhoudbaar, tenzij we het begrip cognitie zo breed maken dat het een loos begrip wordt. Zo’n handelwijze zou misschien binnen de psychotherapeutische praktijk nog wel productief kunnen zijn, maar brengt cognitief gedragstherapeuten niet veel verder bij het ontwikkelen van effectievere behandelingsstrategieen. Bovendien is ze niet te verenigen met de ontwikkelingen die we de afgelopen twintig jaar hebben gezien binnen de neurobiologie en modern hersenonderzoek. Het lijkt tijd om het paradigma dat binnen de cognitieve gedragstherapie gebruikt wordt opnieuw te veranderen, en daarbij aan te sluiten bij datgene wat de breinwetenschappen te melden hebben. Zo’n paradigmaverandering stelt ons tevens in staat om onorthodoxe therapeutische technieken die cognitief gedragstherapeuten gebruiken (zoals Eye Movement Desensitisation en Running Therapy) op te nemen in het werkmodel van cognitieve gedragstherapie, en gebruik te maken van de inzichten en technieken van therapierichtingen die op dit moment nog buiten het gezichtsveld van de meeste cognitief gedragstherapeuten liggen, zoals Mindsight van Daniel Siegel en de Brainbased therapy van John Arden. Bovendien zou cognitieve gedragstherapie daarmee ook interessant kunnen worden voor beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg die geen psychologische achtergrond hebben, zoals huisartsen, psychiaters en andere medisch specialisten, en fysiotherapeuten. En mogelijk dat zo’n paradigmaverandering binnen cognitieve gedragstherapie ertoe kan bijdragen dat de huidige tweedeling tussen somatische en geestelijke gezondheidszorg wordt opgeheven, waarmee de historische fout van Descartes ook in de organisatie van de zorg hersteld kan worden.

Klaar voor de tweede revolutie binnen cognitieve gedragstherapie? Brain-based cognitive behaviortherapy (bb-cbt)

In de jaren zeventig van de vorige eeuw maakte de klassieke gedragstherapie een belangrijke verandering door. Deze verandering werd door sommige theoretici de cognitieve revolutie genoemd. Het klassieke S->R model, dat voortkwam uit klassieke en operante leertheorieen, werd aangevuld met cognitieve processen. Gedragstherapie (Gt) werd cognitieve gedragstherapie (CGT). We staan nu aan de vooravond van een nieuwe revolutie, een tweede revolutie binnen de (cognitieve) gedragstherapie. De ontwikkelingen binnen de neurowetenschappen, en samenhangend daarmee de veranderingen in ons denken over lichaam en geest, nodigt uit tot deze ingrijpende verandering in ons paradigma: de neurowetenschappelijke revolutie. Cognitieve gedragstherapeuten worden uitgedaagd om de black box – gedachte van de behavioristen definitief achter zich te laten, en in de geest te kijken. Niet in een geest die is samengesteld uit enkel woorden of zinnetjes, maar in een geest die bestaat uit neurologische netwerken en biochemische activiteiten, welke aan de basis liggen van de psychische klachten die we behandelen.

De twee belangrijkste cognitieve psychotherapieën zijn Rational Emotive Behavior Therapy (REBT) van Albert Ellis (1913-2007) en Cognitive Therapy (CT) van Aäron Beck (1921-). Beide psychotherapieën zijn ontstaan uit een ongenoegen dat hun grondleggers hadden met de psychoanalytische scholing die ze daarvoor hadden gevolgd. Bij Albert Ellis zat dat ongenoegen niet in eerste instantie in de denkbeelden achter de psychoanalyse, maar de inefficiëntie die schuil gaat achter haar werkwijze. Hij vond het onnodig om als psychotherapeut te wachten op het moment dat de cliënt inzicht kreeg in zijn emotionele probleem, en besloot om de cliënt daar actief uitleg over te geven. De werkwijze van Albert Ellis was daardoor zeer didactisch, waarbij hij zijn cliënten uitlegde, dat de bron van hun emotionele ellende niet zit in onplezierige omstandigheden of in een ongelukkige kindertijd, maar in de overtuigingen die ze zich hebben eigen gemaakt. In zijn bewoordingen komt het erop neer, dat emotionele stoornissen (C) niet het gevolg zijn van omstandigheden (A), maar van de irrationele overtuigingen (B) die zich genesteld hebben, en welke door de cliënt actief instand gehouden worden. Centraal in deze irrationele overtuigingen staan de starre eisen die de cliënt stelt aan zichzelf, anderen en aan het universum. Ellis sprak in dat verband van musterbation, de neiging van bepaalde voorkeuren ‘moetens’ te maken. In REBT worden deze irrationele overtuigingen direct door de therapeut ontmaskerd en genadeloos ter discussie gesteld, om ze vervolgens te vervangen door rationele overtuigingen. Rationele overtuigingen zouden uiteindelijk een verschil gaan uitmaken bij het emotionele functioneren van de cliënt. Het ABC-schema van hierboven wordt daarmee aangevuld met een dialoog (D), die leidt tot een ander effect (E). Ellis stelt dat zijn REBT mikt op een filosofische verandering bij de cliënt, en bedoelt daarmee dat ze de levensfilosofie van de cliënt wil veranderen. REBT heeft daardoor veel overeenkomsten met een stoïcijnse en een boeddhistische leefwijze.

Aäron Beck schrijft, dat zijn Cognitive Therapy is ontstaan uit onderzoek bij cliënten met een depressieve stoornis. Hij ontdekte dat depressies niet het gevolg zijn van agressie die op het zelf is gericht (zoals Freud beweerde), maar stelde dat depressies worden gekenmerkt door een negatieve denkwijze. Centraal in zijn verklaring staan de negatieve automatische gedachten van de cliënt, welke vaak betrekking hebben op het zelf (Ik heb gefaald), de toekomst (Het wordt niet beter), en de eigen onmogelijkheid om veranderingen te bewerkstelligen (Ik ben hulpeloos). In dat verband wordt ook wel gesproken van de cognitieve triade. In tegenstelling tot zijn collega-psychiaters zag Beck die negatieve denkwijze niet als een uiting van een depressieve stoornis, maar als een belangrijke bron. Zijn aanpak is minder direct dan die van Albert Ellis, en wordt gekenmerkt door een samenwerkingscontract. Hij spoort cliënten aan om hun gedachten te onderzoeken op hun waarheidsgehalte, en maakt daarbij vooral gebruik van de Socratische dialoog. Beck heeft ook bij de andere psychische klachten onderzoek gedaan naar de rol van cognitieve processen, en slaagde erin om zijn Cognitive Therapy goed te laten aansluiten bij het courante diagnostische model: de Diagnostic Statistical Manual.

Cognitieve therapieën waren een verademing voor veel gedragstherapeuten die het behavioristische werkmodel weinig humaan vonden, en als te beperkend ervoeren voor hun beroepsuitoefening. Met de ontwikkeling van gedragstherapie naar cognitieve gedragstherapie (CGT), werden vooral de denkbeelden van Beck aangegrepen om van een gedragstherapie die mikt op gedragscorrectie. weer een psychotherapie te maken die mikt op zelfinzicht. Cognitieve gedragstherapie blijkt een grote aantrekkingskracht te hebben op psychotherapeuten, en heeft zich ontwikkeld tot de toonaangevende psychotherapeutische stroming. Een therapie waarbij cliënten hun stoornissen oplossen door verandering aan te brengen in hun denken en hun doen. Omdat psychologische hulp gewoonlijk wordt aangeboden vanuit een spreekkamer en niet in een sportcentrum of op straat, ligt de nadruk toch vooral op dat denken. Cliënten kunnen er tegenwoordig wel vanuit gaan, dat zij door behandelaars die geschoold zijn in REBT, CT of CGT aan het werk gezet worden met gedachtenschema’s, waarmee ze hun emotionele reacties gaan analyseren om op die wijze hun geest in kaart te brengen. Maar daarmee komt de behandeling van psychische klachten wel erg ver weg te staan van een andere belangrijke bron van psychische stress: het lijf. Cognitieve psychotherapieën hebben ertoe geleid, dat binnen de psychotherapie weer aandacht bestaat voor de psyche, maar het is ook weer erg benauwend om die psyche gelijk te stellen met cognitie. Want wat zijn gedachten en overtuigingen nou eigenlijk? Zijn ze een geschenk van een hogere macht, die ons in staat stelt om gevaarlijke driften te beheersen en verlossen ze ons daarmee van het aardse bestaan? Nauwelijks! Gedachten, overtuigingen, schema’s, en al die andere cognitieve processen komen niet voort uit een hogere macht, maar zijn het resultaat van ons brein. Ze komen voort uit het vermogen van ons brein om dingen te symboliseren, en zijn daarmee nauw verbonden met ons lijf. Ze hangen niet boven ons lijf zoals de teksballonnetjes bij een stripverhaal, maar ze zijn het product van een brein, dat in staat is om zichzelf te ontstijgen, en zichzelf te beïnvloeden.

Het is tijd voor een nieuwe paradigma-verandering binnen de (cognitieve) gedragstherapie, waarbij we lichamelijke klachten, emotionele problemen, cognitieve stoornissen en gedragsproblemen expliciet in samenhang zien met het orgaan dat daarin een centrale rol speelt: het brein. We hebben het dan niet over een brein dat in zijn functioneren losstaat van het lichaam, maar over een brein dat zelf onderdeel uitmaakt van het lichaam; over het embodied brain. Ons brein reguleert niet alleen veel lichamelijke processen en speelt een belangrijke rol in ons lichamelijke welzijn. Het speelt daarnaast een belangrijke rol bij de aansturing van emoties en bij cognitieve processen: de opslag van informatie en de informatieverwerking. Bovendien is het brein een sociaal orgaan, en het stelt ons in staat stel om hechtingsrelaties aan te gaan met andere mensen. Wat dat aangaat is het eigenlijk een wonder, dat de psychotherapie zo lange tijd voorbij kon gaan aan de rol die het brein speelt bij ons psychische welzijn. Brain-based cognitive behaviortherapy (bb-cbt) is een nieuwe ontwikkeling, die de resultaten van modern neurowetenschappelijk onderzoek verbindt met de theorie en praktijk van cognitieve gedragstherapie. Met brain-based cognitive behaviortherapy wordt de geest geïntroduceerd binnen cgt, niet als een of andere vage psychodynamische constructie, maar als voortvloeisel van ons brein. Bent u als cognitief gedragstherapeut klaar voor de tweede revolutie in ons relatief jonge bestaan?

Brainbased-Cognitive Behaviortherapy, een introductie (deel 1)

Mensen met psychische klachten zijn vaak in verwarring over de vraag, waarom ze last hebben van hinderlijke emoties of van ongezonde gewoontes. Meestal zoeken ze de oorzaak ervan in hun omgeving (de ander, het werk, tegenslagen), in hun verleden of in hun persoonlijkheid. Ze gaan dan voorbij aan de meest voor de hand liggende verklaring: hun brein. Ons brein doet zijn werk in stilte, en waarschijnlijk zijn we ons daarom niet bewust van de grote rol die het speelt bij het ontstaan en de instandhouding van veel psychische klachten. De relatie tussen ons brein en psychische klachten is geen eenrichtingsverkeer, maar er is sprake van een circulair proces. Het brein speelt een grote rol bij het ontstaan van klachten, en klachten op hun beurt hebben weer effect op het brein. Brainbased cognitive behaviortherapy (bb-cbt) is een nieuwe psychotherapie die inzichten en technieken uit de neurowetenschappen en cognitieve gedragstherapie met elkaar verbindt. In dit pamflet wordt een kleine inleiding gegeven over bb-cbt.

De regelkamer: het brein

Veel feiten over het menselijk brein zijn nog onbekend, maar iedereen weet dat het brein een centrale rol speelt bij de coördinatie van ons lichaam en van onze geest. Het brein is een orgaan dat erg verstrengeld is met ons lichaam, en via het ruggenmerg en zenuwbanen in verbinding staat met ons hele lichaam. Veruit de meeste activiteiten verricht het brein zonder dat we daar kennis van hebben, zodat de meeste hersenactiviteit op onbewust niveau plaatsvindt. Ons bewustzijn maakt het ons op zeer beperkte schaal mogelijk, om stil te staan bij veranderingen die in gang worden gezet. En op nog beperktere schaal zijn we in staat om dit proces actief bij te sturen. Dit vermogen, bewustzijn van veranderingen en mogelijkheden tot directe beïnvloeding van ons lichamelijke en geestelijke functioneren, ligt ten grondslag aan medische behandelingen, onder andere de psychotherapie.

Het brein heeft zich gedurende de evolutie van de verschillende soorten steeds verder ontwikkeld tot een uiterst gecompliceerd orgaan, en we gaan er vanuit dat het menselijke brein van alle breinen zich het verst ontwikkeld heeft. Sommige biologen zien in de structuur van ons brein drie ontwikkelingsstadia terug, die corresponderen met de ontwikkeling van de verschillende diersoorten tijdens de evolutie. De ontwikkeling van het brein vanaf de conceptie tot de geboorte is daarmee een copie van de algehele evolutie over de verschillende soorten, en kunnen we terugvinden in de afzonderlijke delen waaruit het is samengesteld. De hersenstam zou het oudste deel zijn, en heeft zich ontwikkeld uit de neurale pijp die de voorloper is van het ruggenmerg. We noemen de hersenstam ook wel het reptielenbrein, en het speelt een belangrijke rol bij allerlei heel primaire functies: de ademhaling, de voedselinname, de temperatuurregulatie en de voortplanting. De hersenstam wordt van boven omsloten door het limbisch systeem, dat ook het zoogdierenbrein genoemd wordt. Dit hersendeel speelt een belangrijke rol bij ons gevoelsleven en bij ons sociale functioneren, onder andere de emotionele hechting die we als mens aangaan met anderen. We spreken van het zoogdierenbrein, omdat dit deel in de grote evolutie tot ontwikkeling kwam toen de zoogdieren ontstonden. Zoogdieren zijn voor hun overleving van de verbindingen die ze aangaan met anderen, met name hun verzorgers. Emoties spelen een belangrijke rol bij het aangaan van deze bindingen, en het limbisch systeem speelt daar een belangrijke rol in. Dit hersendeel wordt weer omsloten door het relatief jongste brein, de cortex, die bestaat weer uit twee helften (hemisferen): de linker en de rechter hemisfeer. De cortex is weer samengesteld uit een aantal kwabben, waarvan elk een rol speelt bij functies als de tast, de geur, het gehoor, de waarneming, en de motoriek, en ons bewustzijn van fysieke verandering (proprioceptie). De prefrontaal cortex is een hersenkwab, die een belangrijke rol speelt bij de aansturing van onze reacties. Ze bevindt zich aan de voorkant van de hersenen, en is bij ons in vergelijking met andere organismen sterk ontwikkeld. In dit gedeelte van het brein liggen de executieve functies opgeslagen, die een belangrijke rol spelen bij ons vermogen om impulsen te reguleren. De prefrontaal cortex heeft verbindingen met alle andere hersendelen en speelt een belangrijke rol bij de zelfsturing; ze biedt ons ons onder andere mogelijkheden om doelen te stellen, om impulsen te onderdrukken, om een planning te maken, en om informatie vast te houden.

Het brein als overlevingsorgaan

Voordat ik meer specifieke informatie geef over het brein, is het misschien zinvol om in algemene zin stil te staan bij de functie van ons brein. Het brein is een van de vele organen waaruit ons lichaam is samengesteld. Het onderscheidt zich van andere organen door de nauwe samenwerking die het aangaat met die andere organen en met alle lichaamsdelen. Wanneer we stilstaan bij het brein, dringt de vergelijking zich op met een knooppunt van het wegennet. Bij zo’n verkeersknooppunt komen alle wegen op de een of andere wijze samen. Ons brein neemt een vergelijkbare centrale plaats in binnen ons lichaam. Zijn belangrijkste taak is de vergroting van onze kansen om als soort en als individu te overleven in een wereld die dreigingen kent. Waarschijnlijk is overleving ook het oudste programma dat zowel onze lichamelijke als geestelijke reacties aanstuurt. Vanuit dit perspectief gezien, zou je kunnen zeggen dat we leven om te overleven, en kan dit motief veel van onze reacties verklaren. Charles Darwin (1809-1882) sprak in dat verband van een struggle for life, en ontdekte dat de wil om te overleven ook doorspeelt bij de biologische ontwikkeling van de verschillende diersoorten en bij de evolutie van dier naar mens. Om beter te kunnen overleven, heeft de natuur onze hersenen uitgerust met enkele extra eigenschappen, die ons op hun beurt weer in staat stellen om de natuur te onderwerpen. Sigmund Freud  (1856-1939) liet zich door Darwin inspireren, en introduceerde dit principe bij zijn analyse van de menselijke psyche. Hij noemde haar de libido, en zag haar in zijn vroege theorie als de bron die al ons doen en laten verklaart. Omdat ditzelfde principe hem in de steek liet bij de verklaring van destructieve gedragingen zoals zelfdoding, moord, en oorlogsvoering, voegde Freud daar in 1920 nog een tweede principe aan toe: de doodsdrift Thanatos. Freud zag in de menselijke natuur deze twee principes werkzaam, en verklaarde alle menselijke gedrag als uitingen van twee universele krachten: de levensdrift en de doodsdrift. Het bestaan van een doodsdrift is door de meeste psychoanalytici in twijfel getrokken, en we komen haar ook nauwelijks tegen als verklarend principe. De levensdrift is het leidend principe dat volgens de meeste neurowetenschappers in ons werkzaam is, en het brein speelt daarin een centrale rol.  Om onze overlevingskansen te vergroten, moet het brein een aantal taken volbrengen. Allereerst moet het in staat zijn om een goede afspiegeling te geven van alle activiteit die zich in ons lichaam voltrekt. Voor dit doel creëert ons brein op mentaal niveau een reflectie van alle lichamelijke activiteit, hetgeen resulteert in een mentale kaart van onze fysieke binnenwereld. We kunnen dit de ‘interoceptieve kaart’ noemen; een mentaal plaatje van de stand van zaken binnenin ons lichaam. Een vergelijkbare opdracht voert het brein uit ten aanzien van de buitenwereld. Door gebruik te maken van de informatie vanuit enkele zintuigen (ogen, oren, tast, smaak en reuk) construeert het een mentale kaart van onze buitenwereld, die fungeert als een navigatiesysteem voor onze ontdekking van de buitenwereld. Deze ‘exteroceptieve kaart’ stelt ons in staat om te overleven in een wereld vol dreigingen en om bronnen te zoeken die de kansen van ons voortbestaan vergroten. Overigens gaat het daarbij niet alleen om de fysieke omstandigheden waaronder we leven, maar ook om ons contact met soortgenoten; de sociale wereld waarin we leven. Ons brein is een sociaal orgaan, dat op snelle wijze andere mensen ‘scant’ en beslist of het contact ermee veilig of onveilig is. Sterker nog, het is in staat om zich in de belevingswereld van die ander te verplaatsen, en vooruit te lopen op de reactie die gaat komen. Het creëert daarmee een ‘sociale kaart’, die uitgangspunt is voor onze omgang met anderen. Een derde taak van ons brein is het initiëren van een reactie die enerzijds aansluit bij de beschikbare mentale kaarten en bedoeld is om onze overlevingskansen in deze wereld en in de omgang met anderen te vergroten. Het brein heeft daarvoor een veelheid aan aangeboren en aangeleerde reactiestrategieën ter beschikking, die gericht zijn op toenadering zoeken bij situaties of mensen die onze overlevingsdrang bevorderen of wegvluchten voor situaties en mensen die deze in gevaar brengen.

De terugkeer van het onbewuste

Jouw gevoelsleven wordt vooral gereguleerd door enkele hersenkernen (de hypocampus, amygdala, hypofyse, en de hypothalamus) die behoren tot het limbisch systeem. In dit hersendeel worden chemicaliën vrijgemaakt, die een soort signaalfunctie hebben voor ons lichaam. Er zijn chemicaliën die de boodschap doorgeven ‘dat is veilig en aanlokkelijk’ zoals dopamine, endorfine, oxytocine en serotonine. Er zijn ook chemicaliën die het tegengestelde signaal doorgeven, met name cortisol. Je brein zal ertoe overgaan om gehoor te geven aan deze boodschappers, tenzij jouw cortex tegengestelde instructies geeft. Jouw cortex (en dan met name je frontaal cortex) is in staat om deze neigingen te onderdrukken, en kan je aanzetten tot een alternatieve reactie. Jouw limbisch systeem en jouw cortex kunnen op gespannen voet staan, waarbij ze verschillende wegen bewandelen om hun zin te krijgen. Jouw limbisch systeem doet haar werk volledig op onbewust niveau, terwijl jouw frontaal cortex heel bewust jouw reactie kan aansturen. Daarmee komen we wederom terug bij Sigmund Freud, die een vergelijkbaar onderscheid maakte tussen het onbewuste Es en het (deels) bewuste Ich. Freud veroorzaakte aan het eind van de 19de een ware aardschok in de psychiatrie door te stellen dat het onbewuste een veel groter gewicht in de schaal legt bij de verklaring van ons gevoelsleven en gedrag dan het bewuste. Hedendaags neurowetenschappelijk onderzoek toont aan, dat hij daarin gelijk heeft: ons onbewuste brein is inderdaad een belangrijke factor bij de verklaring van ons emotionele functioneren. Daarbij lijkt het erop, dat onze emotionele reactie op onbewust niveau ontstaat in ons limbisch systeem, en dat de cortex vooral de functie heeft om deze te onderdrukken (inhibitie) of er toestemming aan te geven (expressie). De analogie dringt zich op van de samenwerking tussen de ruiter en het paard: de ruiter kan het paard wel leiden, maar het paard zorgt voor de beweging. In tegenstelling tot de traditionele cognitieve gedragstherapie wordt er bij bb-cbt veel belang gehecht aan de rol die onbewuste processen spelen bij het ontstaan en bij de instandhouding van psychische en psychosomatische klachten. In tegenstelling tot de freudiaanse visie bestaan die onbewuste processen niet uit allerlei demonische krachten, maar gaat hem om biologische krachten waaronder de bovengenoemde chemicaliën die van in vloed zijn op ons psychische wel en wee.

(wordt vervolgd)

Jeffrey Schwartz, vier stappen om je brein te temmen

Jeffrey Schwartz is als psychiater verbonden aan de School of Medicine van University of California in Los Angeles. Hij is als psychiater geinteresseerd in de wisselwerking tussen de geest (mind) en het brein. Daarbij was hij in eerste instantie vooral actief bij de behandeling van obsessief compulsieve stoornis. In 2012 verscheen zijn bestseller You are not your brain.

Schwartz stelt dat ons brein bij psychische klachten verkeerde signalen afgeeft. Hij spreekt in dat verband van deceptive brainmessages (foutieve meldingen). Er kan sprake zijn van disfunctionele of storende gedachten, impulsen, aandrangen of fysieke reacties. Naar aanleiding van persoonlijke ervaringen of als gevolg van eigen toedoen, kunnen deze foutieve meldingen je psychisch functioneren ondermijnen. Wanneer je tijdens het winkelen overvallen wordt door een paniekgevoel, dan zal je brein dit paniekgevoel koppelen aan het winkelbezoek. De eerst volgende keer dat je een winkel binnenloopt, zal dat gevoel weer opkomen en kun je daar de gedachte uit ontwikkelen dat winkelen vervelend is. Je kunt besluiten om maar snel weg te gaan. Geleidelijk ontstaat er een keten van fysieke sensaties, gedachten, situaties, gedragingen die sterker wordt naarmate je er vaker aan toegeeft. Er ontwikkelt zich een disfunctionele gewoonte (bad habit), die in je brein vastgelegd wordt middels een neuraal netwerk. Op deze manier kan je brein zich tegen je keren, en kan het de controle van je overnemen. Dit is zeker het geval, wanneer je de foutieve meldingen van je brein serieus neemt, en er steeds aan toegeeft. Paniekstoornissen zijn voorbeelden van zo’n foutieve meldingen, maar hetzelfde geldt voor obsessies, dwanghandelingen en hongergevoelens. Het brein heeft in dergelijke gevallen de neiging om een vaststaand protocol af te werken, waarvan de uitkomst bij voorbaat vaststaat en dat zichzelf versterkt. Wanneer je de sturing uit handen geeft door je gewoonte vrijspel te geven, ontstaat er een conflict tussen de disfunctionele gewoonte (je automatische piloot) en je true self (je ware zelf). Met je ware zelf bedoelt Schwartz die reacties of strevingen die voortkomen uit de waarden en doelen die je in je leven nastreeft. In geval van de paniekstoornissen kun je jezelf steeds meer opsluiten, terwijl je eigenlijk sterk de behoefte hebt om met mensen samen te zijn. Er is echter een manier om de disfunctionele gewoonten die je tijdens je leven hebt opgebouwd te doorbreken, want –zo beweert Schwartz- you are not your brain. Er is een instantie in onze geest (de wise advocate), die in staat is om het grote plaatje te overzien en die begrijpt dat jij niet helemaal samenvalt met de foutieve meldingen van je brein, en dat dit enkel automatische reacties zijn. Je wise advocate is in staat om rationele beslissingen te nemen die afgestemd zijn op datgene wat je echt waardevol vindt of wilt bereiken. Schwartz biedt een vier stappenplan aan, dat bestaat uit de volgende onderdelen:

Stap 1: Relabel – identificeer jouw foutieve breinmeldingen en de onaangename sensaties die daarmee samengaan. Noem ze wat ze werkelijk zijn: foutieve breinmeldingingen.

Stap 2: Reframe– verander jouw perceptie van het belang van deze foutieve breinmeldingen; maak jezelf duidelijk waarom deze gedachten, aandrangen en impulsen je blijven hinderen: het zijn foutieve breinmeldingen (Ik ben het niet zelf, het is enkel mijn BREIN!).

Stap 3: Refocus – richt je aandacht op een activiteit of mentaal proces dat gezond en productief is, zelfs als de foutieve aandrang, gedachten, impulsen en sensaties nog steeds aanwezig zijn en je hinderen.

Stap 4: Revalue – kijk naar jouw gedachten, aandrangen, en impulsen zoals ze werkelijk zijn, als enkel sensaties die voortkomen uit foutieve breinmeldingen, die onjuist zijn en geen waarde hebben (je kunt ze negeren).

Jeffrey Schwartz heeft zijn therapie onder andere toegepast bij de behandeling van de obsessief compulsieve stoornis. Dit heeft geleid tot een behandelprotocol (Brainlock, 2016), waarvan inmiddels is vastgesteld dat het effectief is.